De ernstige stapelingsziekte MPS III kent bij patiënten zo’n groot verschil in beloop dat die zeer waarschijnlijk niet altijd door artsen wordt herkend als oorzaak van een achterstand in de mentale ontwikkeling. Diagnostiek naar MPS III moet daarom worden verricht bij alle patiënten met een verstandelijke handicap.
Dat concludeert arts-onderzoeker Marlies Valstar in haar proefschrift waar ze op 10 november aan het AMC op promoveert. Valstar onderzocht voor haar promotie-onderzoek het klinisch beloop en het genotype van bijna alle MPS III-patiënten die ooit in Nederland werden gediagnosticeerd. Van die 192 patiënten zijn er nog 73 in leven.
MPS III (ook wel Sanfilippo-syndroom genoemd) is een van de bijna vijftig lysosomale stapelingsziekten, die wordt gekenmerkt door een opeenhoping van de stof heparansulfaat, vooral in de hersenen. Die stapeling wordt veroorzaakt doordat patiënten bepaalde enzymen niet of onvoldoende aanmaken. Afhankelijk van het ontbrekende enzym, worden vier subtypen van de ziekte onderscheiden, A tot en met D.
MPS III leidt tot voortschrijdende mentale achteruitgang, die uiteindelijk leidt tot diepe dementie. De meeste patiënten hebben last van ernstige gedrags- en slaapproblemen. Ook de motorische functies gaan achteruit. Vroegtijdig overlijden is het gevolg.
Kennis over klachten en symptomen van de ziekte is van groot belang, schrijft Valstar, om patiënten en hun families goed te kunnen begeleiden. Daarnaast zijn gegevens over het natuurlijke beloop van de ziekte onontbeerlijk om het effect van toekomstige therapieën te kunnen beoordelen. Er is nog geen bewezen effectieve behandeling voor MPS III-patiënten maar wereldwijd worden veelbelovende strategieën onderzocht.
Zo is het AMC dit najaar met het Manchester’s Children Hospital begonnen aan een klinisch onderzoek waarbij twaalf kinderen met MPS III het ontbrekende enzym in hun ruggenmergvocht krijgen ingespoten. Bekeken wordt of het enzym op die manier in hun hersenen terecht komt. Probleem bij MPS III, net als bij onder meer de stapelingsziekte van Batten, is dat het enzym weliswaar kan worden nagemaakt maar dat het de bloed-hersenbarrière niet kan passeren als het in het bloed wordt ingespoten.
Valstar ontdekte dat het natuurlijke beloop van MPS III niet alleen wordt bepaald door het genotype, de verzameling genetische eigenschappen van een individu. Ook externe factoren spelen een rol, zoals het optreden van infecties. Valstar beschrijft gezinnen met meer kinderen die aan MPS III lijden en die belangrijke verschillen laten zien in het beloop van de ziekte. Alleen een globale voorspelling over de toekomst van patiënten is daardoor mogelijk.
De gevolgen van MPS IIIA zijn veruit het ernstigste, constateert Valstar. Het klinische beloop van dat subtype varieert aanzienlijk en is afhankelijk van specifieke genmutaties. MPS IIIB heeft vaak een milder verloop: bij de meeste patiënten blijft de verstandelijke beperking jarenlang stabiel. Zij hebben vaak ook een langere levensverwachting en kunnen zelfs ouder dan zestig jaar worden. MPS IIIC kent meestal nog weer een milder verloop en vertoont grote variaties in de ernst van de ziekte en in het klinische beloop. Valstar schrijft over twee zussen bij wie de ziekte pas na hun twintigste werd ontdekt.
MPS IIID is nog zeldzamer dan de andere subtypen; wereldwijd zijn slechts twintig patiënten beschreven. Valstar beschrijft twaalf patiënten over wie nog niet eerder werd gerapporteerd, afkomstig uit verschillende landen. Van zestien patiënten kon ze het dna analyseren. De klinische verschijnselen van subtype D komen overeen met die van de andere drie typen maar ook patiënten met MPS IIID vertoonden een grote variatie in achteruitgang van spraak en motorische functies.
Het onderzoek van Valstar werd deels mogelijk gemaakt door een subsidie van Stichting Metakids (www.metakids.nl).



Dag,
Ik heb een collegfa die adviseur is bij de oudervereniging Batteb in de US. Ze was niet op de hoogte van het proefschrift van Marlies Valstar. Kunt U me verder helpen
J.van Dijk Prof emerit Radboud Universiteit